Microfoons
{Afhankelijk van audioselectie:} Microfoons zijn de belangrijkste schakel in de audioketen. Het geluid van een slechte microfoon als vertrekpunt, is verderop in de keten nauwelijks meer goed te maken.
Microfoons zijn er in vele soorten en maten. Hun overeenkomst is dat ze geluidsgolven omzetten in elektromagnetische signalen; ze doen dat met behulp van een trillingsgevoelig membraan.
Types techniek
In de werking van een microfoon - in de omvorming van geluidstrillingen naar fluctuerende elektrische signalen - zijn twee types te onderscheiden: de dynamische en de condensatormicrofoons. Voor streaming video zal de keus meestal op de dynamische vallen, hoewel de condensatormicrofoons kwalitatief doorgaans beter zijn.
Dynamische microfoons werken op basis van elektromagnetische inductie. Het membraan is aangesloten op een draadspoel die tussen twee magneten hangt. Er ontstaan spanningsverschillen in de spoel, zodra het membraan gaat trillen, waardoor een elektrische weergave van het signaal ontstaat.
Condensatormicrofoons werken volgens een elektrostatisch principe. Het membraan bestaat uit twee dunne plaatjes die onder spanning worden gebracht (zij moeten daartoe fantoomvoeding, phantom power, krijgen); zij vormen zo een soort condensator. Als geluid een van de plaatjes aan het trillen brengt, ontstaan spanningsverschillen die de elektrische weergave van het signaal bepalen.
De condensatormicrofoons zijn door hun constructie doorgaans gevoeliger en daardoor kwalitatief beter. Ze zijn echter ook gevoeliger voor ruis en bijgeluiden, zodat het kwaliteitsvoordeel alleen tot zijn recht komt in de studio of andere omgevingen waarin het geluid volledig controleerbaar is. Meestal moeten ze vrij van contactgeluiden worden 'opgehangen'; daar bestaan diverse constructies voor.
In rumoerige omgevingen of situaties waarin het geluidsniveau niet constant en onmiddellijk wordt bijgesteld, kan je beter dynamische microfoons inzetten.
Types gevoeligheid
Een belangrijk kenmerk van de microfoon is de richtingsgevoeligheid.
Een omnidirectionele microfoon vangt geluid uit alle richtingen rondom gelijkmatig op.
Een cardioïde microfoon heeft een hart- of nier-vormige richtingsrespons. Dergelijke microfoons zijn het gevoeligst voor geluid dat rechtstreeks via de voor-/bovenkant binnenkomt, in mindere mate voor geluid dat meer van opzij komt, en nauwelijks voor geluid dat van achter komt. Ze zijn breed inzetbaar en daarom het meest gebruikt.
Een super-/hypercardioïde microfoon is beduidend sterker richtingsgevoelig. Dergelijke microfoons zijn nauwelijks gevoelig voor geluid dat van opzij of van achter komt. Daarom zijn ze handig in rumoerige omgevingen, om gericht bepaalde geluiden op te pakken. Ze zitten ook vaak op camera's om alleen het geluid op te nemen van het onderwerp dat in beeld komt.
Een bidirectionele microfoon heeft een acht-vormige gevoeligheidskarakteristiek langs een bepaalde as. Dergelijke microfoons zijn gevoelig voor geluid in beide richtingen van de as, en minder gevoelig voor geluid daarbuiten. Dit type is hoofdzakelijk geschikt voor bijvoorbeeld interviews, waarbij twee deelnemers aan beide zijden van de microfoon plaatsnemen.
Types uitvoering
Microfoons kennen voor verschillende toepassingen vele uitvoeringen. De naam zegt meestal al genoeg.
Een reversmicrofoon (ook wel dasspeld-, knoopsgat-, clip-, miniatuur- of Lavalier-microfoon genoemd) is klein en geschikt om iemand op te spelden of anderszins aan kleding te bevestigen; handig voor rondlopende sprekers.
Een handmicrofoon (handmicrofoon) is om in de hand te houden; handig voor rondlopende sprekers.
Een tafelmicrofoon staat doorgaans met een verzwaarde voet op tafel; handig bij bijvoorbeeld discussiefora waarin sprekers achter een tafel plaatsnemen.
Een statiefmicrofoon laat zich met een koppelstuk op een microfoonstatief bevestigen; handig om in een zaal als publieksmicrofoon op te stellen.
Een hengelmicrofoon kan met een ophangconstructie aan een microfoonboom worden bevestigd; daarmee is de microfoon dicht bij sprekers in het zaalpubliek te brengen.
Verder bestaan er tal van ophang- en bevestigingsconstructies. Vooral condensatormicrofoons moeten 'vrij hangen' om contactgeluiden te vermijden.
Types verbinding
Tenslotte is de aansluiting een belangrijk onderscheid.
Draadloze microfoons werken met een zender en ontvanger. Het is voor de sprekers ideaal om niet te worden gehinderd door een kabel, maar de draadloze systemen kennen ook nadelen: je moet je verzekeren van een goede ontvangst; soms komt storing door andere zendapparatuur voor; en de microfoonzenders vreten batterijspanning (zodat events gehinderd kunnen worden door microfoonhaperingen).
Bekabelde microfoons zijn betrouwbaarder. Nadelen zijn gelegen in het mee moeten slepen van die kabel (lastig voor spreker, vaak ook storend in beeld); ook een kabel kan stuk gaan (en eerder als er veel mee wordt gesleept); en kabels kunnen soms gaan 'brommen' (vooral als ze langs netspanningkabels liggen).
Audiomixer
{Afhankelijk van audioselectie:} De audiomixer (ook wel mengpaneel of mengtafel genoemd) biedt vele mogelijkheden om geluidsbronnen te schakelen en te mixen/mengen.
Iedere bron krijgt een eigen kanaal waarvoor individueel het niveau te regelen is. Vaak is per kanaal ook de links/rechts-balans in te stellen (panning) en is de klankkleur te beïnvloeden (equalizing). De meeste mixers hebben een aantal mono-ingangen en een geringer aantal stereo-kanalen. De laatste zijn vrijwel altijd op Line-niveau (voor het aansluiten van bijvoorbeeld cd-spelers of laptops); de mono-ingangen zijn meestal op Mic-niveau (voor het aansluiten van microfoons), maar vaak ook schakelbaar naar Line.

Met faders (schuiven) of soms draaiknoppen, is de mate van versterking en daarmee de onderlinge balans tussen de kanalen in te stellen. Daarnaast kan je soms groepen vormen, waarmee selecties van kanalen naar aparte uitgangen worden gestuurd. Belangrijk is in dat laatste geval de vraag of de mix- en klankkleurinstellingen ook voor die uitgang gelden, of dat je de 'pure signalen' (pre-fade) te horen krijgt; vaak is dat instelbaar.
De meeste mixers hebben twee of meer uitgangen waar de eindmix heengaat. Idealiter zijn ze apart regelbaar en gebruik je er één (de master) voor de zaalversterker en één (de sub of control room) voor de encoder.
Soms is er nog een speciale mono-uitgang te gebruiken waarin het linker- en rechterkanaal worden samengevoegd. Gewoonlijk reageert deze op de niveau-instellingen van de master-uitgang.
De misschien wel belangrijkste uitgang is de hoofdtelefoonaansluiting. Gebruik die om de mix kritisch te beoordelen en bij te regelen.